Aboe ‘Oebaidah ibn Al-Djarrah
- zaterdag, 12 november 2011 14:29
- Datum gepubliceerd
Een vrouw genaamd Oemm Anmaar, die tot de Khoezaa’ah stam in Mekkah behoorde, ging naar de markt in de stad. Ze wilde een jeugdige slaaf kopen voor haar huishoudelijke taken en om zijn arbeid voor economische doelen uit te buiten. Terwijl ze de gezichten van de in rijen staande slaven die te koop waren nauwkeurig onderzocht, viel haar oog op een jongen die duidelijk zijn tienerjaren nog niet had bereikt. Ze zag hoe sterk en gezond hij was en er waren duidelijk sporen van intelligentie in zijn gezicht te herkennen. Ze hoefde hem niet verder te onderzoeken. Ze betaalde en ging weg met haar nieuwe aankoop.
Op de weg naar huis keerde Oemm Anmaar zich naar de jongen en zei: “Wat is je naam jongen?”
”Khabbab.”
”En wat is de naam van je vader?”
”Al Arrat.”
”Waar kom je vandaan?”
”Van Nadjd.”
”Dan ben je Arabisch!”
”Ja, van de Banoe Tamiem.”
”Hoe kom je dan in de handen van de slavendrijvers in Mekkah?”
”Één van de Arabische stammen vergrootte zijn territorium. Ze namen ons vee af en namen de vrouwen en kinderen gevangen. Ik was één van de kinderen. Ik ging van hand tot hand tot ik in Mekkah terechtkwam…”
Oemm Anmaar plaatste de jongen als leerling bij een smid in Mekkah om daar de kunst van het maken van zwaarden onder de knie te krijgen. De jongen leerde snel en was al gauw een deskundige in zijn beroep. Toen hij sterk genoeg was, zette Oemm Anmaar een werkplaats voor hem op met daarin alle uitrusting en gereedschappen voor het maken van zwaarden. Al gauw stond hij bekend in Mekkah om zijn uitstekende vakmanschap. Vanwege zijn eerlijkheid en integriteit dreven de mensen ook graag handel met hem. Oemm Anmaar kreeg veel van zijn winst en buitte zijn talenten volledig uit.
Ondanks zijn jonge leeftijd toonde Khabbab een unieke intelligentie en wijsheid. Vaak, als zijn werk was volbracht en wanneer hij alleen was, dacht hij diep na over de staat waarin de Arabische samenleving, die van corruptie was doordrongen, verkeerde. Hij was ontzet door de doelloze afdwaling, de onwetendheid en de tirannie die hij om zich heen zag. Hij was één van de slachtoffers van deze tirannie en zei tegen zichzelf:
”Na deze nacht in duisternis zal er weer licht aanbreken.” En hij hoopte lang genoeg te zullen leven om de duisternis te zien optrekken en de glans en helderheid van het nieuwe licht te zien verschijnen.
Khabbab hoefde niet lang meer te wachten. Hij was bevoorrecht dat hij in Mekkah was, toen het eerste lichtpuntje van islam de stad binnendrong. Het was afkomstig van de lippen van Mohammed ibn ‘Abdoellah
toen hij aankondigde dat niemand het waard is, aanbeden te worden noch verering verdient, behalve de Schepper en de Onderhouder van het universum.
Hij
riep op tot het stoppen van het onrecht en de onderdrukking en had grote kritiek op de werken van de rijken wanneer zij hun rijkdommen verzamelden ten koste van de armen en de uitgestotenen. Hij
veroordeelde aristocratische privileges en houding en riep op tot nieuwe orde, gebaseerd op respect voor de menselijke waardigheid en erbarmen voor de kansarme mensen en voor wezen, reizigers en de behoeftigen.
Voor Khabbab was de leer van Mohammed
als een helder licht wat de duisternis en onwetendheid verdreef. Hij ging en luisterde naar zijn persoonlijke lessen. Zonder ook maar een enkele aarzeling strekte hij zijn hand uit naar de Profeet
in trouw en getuigde dat “Er geen god is behalve Allah en Mohammed
Zijn boodschapper en dienaar is.” Hij behoorde tot de eerste 10 personen die de islam accepteerden.
Khabbab verborg zijn islam voor niemand. Toen het nieuws dat hij moslim was geworden Oemm Anmaar bereikte, werd ze verbolgen van woede. Ze ging naar haar broer Siba’a ibn Abd Al-‘Oezzah, die een bende jongeren van de Khoezaa’ah stam samenbracht die richting Khabbab gingen. Ze troffen hem aan terwijl hij geheel in beslag genomen was door zijn werk. Siba’a kwam op hem af en zei: “We hebben iets over jou gehoord wat wij niet kunnen geloven.”
”Wat dan?” vroeg Khabbab.
”Ons is verteld dat jij jouw religie hebt opgegeven en dat je nu die man van de Banoe Hashim volgt.”
”Ik heb mijn religie niet opgegeven,” antwoordde Khabbab kalm. “Ik geloof alleen in een god die geen partner heeft. Ik verwerp afgoden en ik geloof dat Mohammed de dienaar en Boodschapper van Allah
is.”
Khabbab had deze woorden nog niet uitgesproken of Siba’a en zijn bende grepen hem. Ze sloegen hem met hun vuisten en met ijzeren balken en schopten hem tot hij bewusteloos op de grond viel, bloedend uit de wonden die hem waren aangebracht.
Het nieuws over Khabbab en zijn eigenaresse verspreidde zich in Mekkah als een lopend vuurtje. De mensen waren verbaasd over zijn gewaagdheid. Ze hadden niet eerder gehoord van iemand die Mohammed
volgde en zo brutaal was dit aan te kondigen met zo’n openhartigheid en uitdagendheid.
De situatie van Khabbab shockeerde leiders van de Qoeraisj. Ze hadden niet verwacht dat een smid, die zelfs aan Oemm Anmaar toebehoorde en geen stam in Mekkah had om hem te beschermen en geen As-Sabijah om hem te behoeden voor folteringen, stoutmoedig genoeg was om hun macht met voeten te treden, hun goden te ontkennen en de religie van hun voorvaderen af te wijzen. Ze realiseerden zich dat dit pas het begin zou zijn.
De Qoeraisj hadden gelijk in hun verwachtingen, de moed van Khabbab maakte grote indruk op zijn vrienden en moedigde hen aan om ook hun moslimzijn aan te kondigen.
Eén voor één kondigden zij openlijk aan dat zij de boodschap van waarheid hadden aangenomen. In het gebied van Haraam, dichtbij de Ka’bah, vergaderden de leiders van de Qoeraisj over het probleem Mohammed
. Onder hen waren Aboe Soefjan ibn Harb, Al Walid ibn al Moeghirah en Aboe Djahl ibn Hisjam. Ze stelden vast dat Mohammed met de dag sterker werd, zelfs met het uur. Voor hen was dit als een ernstige ziekte en zij namen zich voor dat dit gestopt moest worden voordat men het niet meer onder controle zou hebben. Ze besloten dat elke stam alle volgelingen van Mohammed
te pakken moesten krijgen en hen diende te straffen tot ze afstand van hun godsdienst namen of zouden sterven.
Siba’a en zijn mensen kregen de taak Khabbab nog meer te straffen. Ze namen hem regelmatig mee naar een openbare plaats in de stad waar de zon op zijn felst scheen en waar de grond schroeiend heet was. Dan kleedden ze hem uit, deden hem een ijzeren harnas aan en legden hem op de grond. De intense hitte verschroeide zijn huid en zijn lichaam werd zwak. Als leek dat als zijn kracht hem had verlaten kwam zij naar hem toe en daagden hem uit:
”wat zeg je over Mohammed?”
”Hij is de dienaar van Allah
en Zijn boodschapper. Hij is gekomen met de religie van leiding en waarheid om ons van de duisternis naar het licht te brengen.”
Dan werden zij nog furieuzer en sloegen en schopten hem nog erger. Ze vroegen hem dan over Al-Laat en Al-‘Oezzah en hij antwoordde dan standvastig:
”Twee afgoden, doof en dom, kunnen geen kwaad doen noch enig goeds brengen.”
Dit maakte hen dan nog woedender en zij namen dan een grote hete steen en plaatsten dit op zijn rug. Khabbab’s pijn en kwellingen waren ondraaglijk maar hij gaf niet toe.
De onmenselijkheid van Oemm Anmaar jegens Khabbab was niet minder dan die van haar broer. Eens zag zij de Profeet
met Khabbab praten bij zijn werkplaats en ze stormde in blinde woede naar binnen. Elke dag daarna, gedurende enkele dagen, ging ze naar zijn werkplaats en plaatste ze een heet ijzer uit de oven op zijn gezicht. De helse pijn was ondraaglijk en vaak viel hij flauw.
Khabbab leed lange tijd en zijn enige hulpmiddel was het gebed. Hij smeekte dat Oemm Anmaar en haar broer gestraft zouden worden. Zijn pijn en leed werden alleen verlost toen de Profeet
permissie gaf aan zijn metgezellen om naar Medinah te emigreren.
Oemm Anmaar kon hem toen niet tegenhouden dit te doen. Zij werd gekweld door een ernstige ziekte waar nog nooit iemand over had gehoord. Ze gedroeg zich alsof ze door een zware aanval geteisterd werd. En de zware hoofdpijnen waaronder zij leed waren zenuwslopend. Haar kinderen zochten overal om medische hulp en hen werd verteld dat de enige oplossing zou zijn dat haar hoofd werd uitgebrand. Dit gebeurde ook. De behandeling, met een roodheet ijzer, was nog erger dan de hoofdpijnen waaraan zij leed.
In Medinah, onder de vrijgevige en gastvrije Ansaar, bracht Khabbab een tijd van rust en gemak door, zoals hij lang niet had gekend. Hij genoot ervan in de aanwezigheid van de Profeet
te zijn zonder dat iemand hem iets aandeed of zijn geluk verstoorde.
Hij vocht aan de zijde van de nobele Profeet
tijdens de slag bij Badr. En hij nam deel aan de slag bij Oehoed waar hij het genoegen had te zien dat Siba’a ibn Al-‘Oezzah zijn dood vond in de handen van Hamza ibn ‘Abdoel-Moettalib, de oom van de Profeet
.
Khabbab leefde lang genoeg om getuige te zijn van de grote uitbreiding van islam onder de vier Kalieven ar-Rashiedoen Aboe Bakr, ‘Oemar, ‘Oethman en Ali
.
Eens bezocht hij ‘Oemar tijdens diens Kalifaat. ‘Oemar stond op, terwijl hij in een vergadering zat, en groette Khabbab met de woorden: “Niemand verdient het meer op deze bijeenkomst te zijn dan Bilal.”
Hij vroeg Khabbab over de folteringen en de vervolgingen die hij bij de moesjrikoen had moeten doorstaan. Khabbab beschreef sommige ervan in detail, daar deze nog erg helder in zijn hoofd stonden. Daarna toonde hij zijn rug en zelfs ‘Oemar was ontzet door wat hij zag.
In de laatste fase van zijn leven, was Khabbab gezegend met rijkdom zoals hij nooit eerder had kunnen dromen. Hij stond ondanks dat bekend om zijn vrijgevigheid. Er werd zelfs gezegd dat hij zijn dirhams en dinars in een plaats van zijn huis legde die bekend was bij de armen en behoeftigen. Hij beveiligde zijn geld op geen enkele manier en degenen in nood konden komen en pakken wat ze nodig hadden zonder zijn goedkeuring te krijgen of erom te vragen.
Ondanks dit was hij altijd bang voor zijn verantwoordelijkheid naar Allah
, vanwege de manier waarop hij zijn rijkdom tentoonstelde. Een groep metgezellen overleverde dat zij Khabbab bezochten toen hij ziek was en hij zei:
”In dit huis zijn tachtigduizend dirhams. Bij Allah
, ik heb het nooit op een enkele manier beveiligd en ik heb niemand die het nodig had ervan onthouden.”
Hij huilde en zij vroegen waarom hij huilde.
”Ik huil,” zei hij, “Omdat mijn metgezellen overleden zijn en zij genoten geen van allen zo’n rijkdom in deze wereld. En ik leef verder en ontvang deze rijkdom en ben bang dat dit de enige beloning zal zijn voor mijn daden.”
Kort daarna overleed hij. De kalief Ali ibn Abi Talib
, stond bij zijn graf en zei:
”Moge Allah
genade met Khabbab hebben. Hij accepteerde de islam met heel zijn hart. Hij verrichtte gewillig de hidjrah. Hij leefde als een moedjaahid en Allah
zal de beloning niet achterhouden voor degene die goed doet.”
Bron: Abdulhamid - Sahaba
Islam 
