Aboe Dzarr al Ghifari
- zaterdag, 12 november 2011 14:28
- Datum gepubliceerd
In de Waddan-vallei die Mekkah met de buitenwereld verbond, leefde de stam van Ghifaar. De Ghifaar-stam leefde van schrale giften van de handelskaravanen van de Qoeraisj die tussen Syrië en Mekkah trokken. Het is waarschijnlijk dat zij ook leefden van het aanvallen van de karavanen wanneer zij niet voldoende hadden gekregen om aan hun behoeften te voldoen.
Djoendoeb ibn Djoenada, bijgenaamd Aboe Dzarr, maakte deel uit van deze stam.
Hij was bekend om zijn moed, zijn kalmte en zijn vooruitziende blik en ook om zijn afkeer tegen de afgoden die door zijn mensen werden aanbeden. Hij verwierp de domme religieuze beweringen en de religieuze corruptie waarmee de Arabieren zich bezighielden. Terwijl hij in de Waddan-woestijn was, ontving Aboe Dzarr het nieuws over een nieuwe profeet die in Mekkah was verschenen. Hij hoopte dat zijn verschijning de harten en gedachten van de mensen uit de duisternis van bijgeloof kon halen.
Al snel riep hij zijn broer, Anies, bij zich en zei:
”Ga naar Mekkah en verzamel alle informatie die je kunt over deze man die beweert een profeet te zijn en openbaringen vanuit de hemelen te ontvangen. Luister naar hetgeen hij heeft te zeggen en reciteer het aan mij.”
Anies ging naar Mekkah en verzamelde alle informatie over deze profeet. Hij luisterde naar hetgeen hij
te zeggen had en ging terug naar de Waddan-woestijn. Aboe Dzarr ontmoette hem daar en vroeg benieuwd naar het nieuws over de Profeet
.
”Ik heb een man gezien,” rapporteerde Anies, “die de mensen oproept tot nobele deugden en het is niet enkel poëzie wat hij zegt.”
”Wat zeggen de mensen over hem?” vroeg Aboe Dzarr.
”Ze zeggen dat hij een tovenaar is, een waarzegger en een poëet.”
”Mijn nieuwsgierigheid is niet voldoende bevredigd. Ik ben nog niet klaar met deze zaak. Wil jij voor mijn familie zorgen terwijl ik erheen ga en de boodschap van deze man zelf kan onderzoeken?”
”Ja, maar pas op voor de Mekkanen.”
Toen hij in Mekkah arriveerde, voelde Aboe Dzarr zich direct erg bevreesd en besloot om heel voorzichtig te werk te gaan. De Qoeraisj waren zichtbaar woedend over de afwijzing van hun afgoden. Aboe Dzarr hoorde over het vreselijk brute geweld dat ze gebruikten tegen de volgelingen van de Profeet
, maar dit had hij al verwacht. Daarom onthield hij zich ervan om meer over Mohammed
te vragen, niet wetende of die persoon een volgeling of vijand was.
Bij zonsondergang lag hij bij de Heilige Moskee. Ali ibn Abi Talib passeerde hem en zag in dat hij een onbekende was en nodigde hem uit in zijn huis. Aboe Dzarr verbleef de nacht bij hem en in de morgen nam hij zijn waterzak en zakken met kleine voorraad mee en ging terug naar de Moskee. Hij had hem geen vragen gesteld en er werden hem ook geen vragen gesteld.
Aboe Dzarr bracht de dag door zonder de Profeet
te zien. In de avond ging hij naar de Moskee om er te slapen en weer passeerde Ali hem en zei: “Wordt het geen tijd dat een man zijn huis kent?”
Aboe Dzarr vergezelde hem en verbleef in zijn huis voor een tweede nacht. Weer werden er van beide kanten geen vragen gesteld.
In de derde nacht echter vroeg Ali: “Vertel je me niet waarom je naar Mekkah bent gekomen?”
”Alleen als je mij belooft dat je mij wilt begeleiden in hetgeen ik zoek.”
Ali stemde hiermee in en Aboe Dzarr zei:
”Ik ben van ver naar Mekkah gekomen om contact te leggen met de nieuwe profeet en om te luisteren naar hetgeen hij heeft te zeggen.”
Ali’s gezicht begon te glunderen van geluk en hij zei: “Bij Allah
, hij
is echt de Boodschapper van Allah
,” en hij vertelde hem meer over de Profeet
en zijn boodschap. Uiteindelijk zei hij:
”Als we in de ochtend wakker worden, ga dan met mij mee. Als er iets is waarvan ik denk dat het gevaarlijk voor jou is, zal ik stoppen alsof ik water moet oversteken. Als ik weer verder ga, volg mij dan tot je bent waar ik ben.”
Aboe Dzarr deed die nacht geen oog dicht door het intense verlangen om de Profeet
te zien en te luisteren naar zijn woorden van de openbaring. De volgende morgen volgde hij Ali op de voet tot zij in het bijzijn van de Profeet
waren.
”As-salamoe ‘alaika ja Rasoeloellah” (vrede zij met jou, O Boodschapper van Allah), groette Aboe Dzarr.
”Wa ‘alaika salaam wa rahmatoellahi wa barakatoeh” (En vrede van Allah
zij met jou, en Zijn genade en zegeningen), antwoordde Profeet
.
Aboe Dzarr was dus de eerste persoon die de Profeet
groette met de islamitische groet. Daarna verspreidde de groet zich en werd het een algemeen gebruik.
De Profeet,
verwelkomde Aboe Dzarr en nodigde hem tot de islam uit. Hij reciteerde enkele stukken uit de Qoer-aan voor hem. Snel daarna sprak Aboe Dzarr de shahadah uit en trad de nieuwe religie binnen (zonder van zijn plaats te zijn gegaan). Hij behoorde tot één van de eerste mensen die de islam accepteerde.
Laat ons nu het woord aan Aboe Dzarr geven.
”Daarna verbleef ik bij de Profeet
in Mekkah en hij
leerde mij de islam en Qoer-aan lezen. Toen zei hij
tegen mij: ‘Vertel niemand in Mekkah over jouw acceptatie van de islam, Ik ben bang dat ze je zullen vermoorden.’
’Bij Hem in Wiens hand mijn ziel is, ik zal Mekkah niet verlaten voordat ik bij de Heilige Moskee ben geweest en daar de waarheid zal verkondigen temidden van de Qoeraisj,’ zwoer ik.
De Profeet
zei niets. Ik ging naar de Moskee. De Qoeraisj hingen wat rond en praatten wat. Ik ging in het midden staan en riep uit volle borst: ‘O mensen van de Qoeraisj, ik getuig dat er geen god is dan Allah en dat Mohammed
de boodschapper van Allah is.’
Mijn woorden hadden direct effect op hen. Ze sprongen op en zeiden: ‘Pak die man die zijn religie heeft verlaten.’ Ze stompten mij en sloegen mij genadeloos. Ze trachtten mij duidelijk te vermoorden. Maar Abbas ibn ‘AbdoelmoetTalib, de oom van de Profeet
herkende mij. Hij boog zich over mij heen en beschermde mij tegen hen. Hij zei hen: ‘Wee jullie. Zouden jullie een man van de Ghifaar-stam doden, terwijl jullie karavanen door hun territorium heen moeten?’
Toen lieten ze me gaan.
Ik ging terug naar de Profeet
en hij
zag de staat waarin ik verkeerde, hij
zei: ‘Heb ik je niet gezegd om je acceptatie van de islam voor je te houden?’
’O Boodschapper van Allah,’ zei ik, ‘het was een verlangen wat ik in mijn ziel voelde en ik heb het vervuld.’
’Ga naar je mensen,’ beval hij
mij, ‘en vertel hen wat je hebt gezien en gehoord. Nodig hen uit tot de islam. Misschien zal Allah
hun het goede brengen door jou en jou belonen door hen. En wanneer je hebt vernomen dat ik in de openbaarheid ben getreden, kom dan naar mij terug.’
Ik vertrok en ging terug naar mijn volk. Mijn broeder kwam naar mij en vroeg: ‘Wat heb je gedaan?’ Ik vertelde hem dat ik moslim was geworden en dat ik geloofde in de waarheid van Mohammeds boodschap.
’Ik ben niet afkerig van jouw godsdienst. Integendeel, ik ben nu ook een moslim en een gelovige,’ zei hij.
We gingen samen naar onze moeder en nodigden haar uit tot de islam.
’Ik heb geen hekel aan jouw godsdienst. Ik accepteer de islam ook,’ zei zij.”
Vanaf die dag ging deze gelovige familie er onvermoeid op uit om de Ghifaar-stam uit te nodigen tot Allah
en weken niet van hun doel af. Uiteindelijk werd een groot aantal van hen moslim en het gezamenlijk gebed werd ingesteld.
Aboe Dzarr verbleef in zijn woonplaats in de woestijn totdat de Profeet
naar Medinah was gegaan en de veldslagen bij Badr, Oehoed en Khandaq waren gevochten. In Medinah vroeg hij uiteindelijk om in persoonlijke dienst van de Profeet
te zijn. De Profeet
stemde toe en was tevreden over zijn gezelschap en dienstbaarheid. Soms toonde hij
dat hij Aboe Dzarr verkoos boven anderen en altijd wanneer hij hem ontmoette, gaf hij hem een schouderklopje en een lach en toonde hij zijn blijdschap.
Na de dood van de Profeet
kon Aboe Dzarr het niet verdragen in Medinah te blijven door het verdriet en het besef dat zijn leidende gezelschap er niet meer zou zijn. Dus hij vertrok naar de Syrische woestijn en verbleef daar tijdens het kalifaat van Aboe Bakr en ‘Oemar.
Tijdens het kalifaat van ‘Oethman verbleef hij in Damascus en zag de vernietigende verlangens naar de wereldse zaken en luxe van de moslims. Hij betreurde dit en vond het weerzinwekkend. Dus vroeg ‘Oethman hem naar Medinah te komen. Ook in Medinah had hij kritiek op de manier waarop de mensen begaan waren met wereldse zaken en geneugten, en zij veroordeelden hem op hun beurt, omdat hij zo tegen hen tekeerging. ‘Oethman beval daarom dat hij naar Rubdhah, een klein dorp vlakbij Medinah, moest gaan. Daar verbleef hij ver weg van de mensen, hield afstand van hun bezigheden met wereldse goederen en hield zich vast aan het erfgoed van de Profeet
en zijn metgezellen, zoekend naar het eeuwige verblijf in het hiernamaals waaraan hij de voorkeur gaf boven deze vergankelijke wereld.
Eens zocht een man hem op en bekeek de inhoud van zijn huis en zag hoe kaal het was. Hij vroeg Aboe Dzarr: “Waar zijn jou bezittingen?”
”Wij hebben een huis elder,” zei Aboe Dzarr (doelend op het hiernamaals), “waarheen wij onze beste bezittingen sturen.”
De man begreep wat hij bedoelde en zei: “Maar je moet toch enkele spullen hebben zo lang je nog hier verblijft?”
”De eigenaar van deze verblijfplaats zal ons hierin niet verlaten,” antwoordde Aboe Dzarr.
Aboe Dzarr hield tot het einde zijn leven zo simpel en sober. Eens zond de Amier van Syrië driehonderd dinar naar Aboe Dzarr om aan zijn behoeften te voldoen. Hij zond het geld terug zeggende: “vindt de Amier van Syrië niet dat zijn bedienden dit meer verdienen dan ik?”
In het jaar 32 na de hidjrah, overleed de zelfonthoudende Aboe Dzarr.
”De Profeet
heeft ooit over hem gezegd: “De aarde draagt geen, noch bevatten de hemelen een man die eerlijker en betrouwbaarder is dan Aboe Dzarr.”
Bron: Abdulhamid - Sahaba
Islam 
