zondag, mei 20th

Last update02:02:43 PM

Home Fiqh Economie Arbeid, loon en welzijn: Kritiek op kapitalisme & lonen in Islam

Arbeid, loon en welzijn: Kritiek op kapitalisme & lonen in Islam

Inleiding

De uiteenzetting van de kapitalistische theorie betreffende de totstandkoming van de lonen, in het eerste deel van "Arbeid, loon en welzijn", heeft geprobeerd duidelijk te maken hoe naar de lonen wordt gekeken door de kapitalisten. Zoals altijd in de economische theorie is ook het model dat gebruikt wordt om de totstandkoming van de lonen onder kapitalisme duidelijk te maken een gesimplificeerde weergave van de realiteit. Door een groot aantal factoren in de realiteit te negeren, effectief door te zeggen "we gaan er van uit dat dezen niet veranderen en dus niet van invloed zijn", kan het model de invloed van bepaalde andere factoren bestuderen. De totstandkoming van het aanbod van arbeid en de vraag naar arbeid wordt door de kapitalisten verklaard door er van uit te gaan dat de prijzen voor de goederen die geproduceerd worden constant zijn. Alsmede dat er geen technologische vooruitgang is en dat er afnemende meeropbrengsten in productie bestaat. Oftewel, dat vooraf bekend is hoeveel iedere arbeider zal produceren en dat dit alsmaar minder wordt naarmate meer arbeiders in dienst worden genomen. In dit model was het aanbod van arbeid, die van de arbeiders uitgaat, afhankelijk van het loon. Vertrekkende van de aanname dat ieder individu voor zichzelf een afweging maakt tussen de hoeveelheid tijd die hij aan arbeid wenst te spenderen en de hoeveelheid tijd die hij aan ontspanning wenst te spenderen, was de aanname dat het individu bij een hoger loon meer zal willen werken. Want ten opzichte van de waarde van ontspanning stijgt de waarde van arbeid voor het individu naarmate het loon stijgt, namelijk. Dit omdat bij een hoger loon het verrichten van arbeid steeds meer oplevert. Zo werd een relatie tussen de hoogte van het loon en de hoeveelheid aangeboden arbeid bepaald, zoals weergegeven in figuur 1.

 


Figuur 1: het samenspel van vraag en aanbod bij arbeid

Image

 

Lijn a is de aanbodcurve van arbeid. De aangeboden hoeveelheid arbeid neemt toe naarmate de prijs voor arbeid (het loon) stijgt. Want in absolute termen loont arbeid meer bij een hoger loon, en in relatieve termen wordt arbeid dan meer waard ten opzichte van het alternatief ontspanning. Het alternatief ontspanning wordt relatief duurder bij een hoger loon omdat meer inkomen opgegeven moet worden voor ontspanning als het loon hoog is.

Lijn v is de vraagcurve van arbeid. Deze lijn kent een dalend verloop omdat bij hogere lonen steeds meer productie per arbeider nodig is om het inhuren van de arbeid winst te laten opleveren voor de werkgever.


De vraag naar arbeid, die van de werkgevers uitgaat, resulteert in dit model eveneens uit de hoogte van het loon. Omdat de productie de bron van inkomsten is voor de werkgever, en omdat iedere extra werknemer steeds minder extra productie doet resulteren, is er bij ieder niveau van het loon een optimum punt voor productie voor de werkgever. Dit is het punt waar het verschil tussen de kost van productie (de totale loonkost) en de opbrengst van de productie maximaal is. Oftewel, dit is waar de winst voor de werkgever maximaal is. Omdat de aannames van het model waren dat de prijzen voor de goederen constant zijn en niet veranderen, en dat de werkgever op voorhand reeds weet hoeveel hij zal produceren bij ieder aantal werknemers dat hij in dienst kan nemen, kan de werkgever op voorhand uitrekenen wat voor hem het optimale aantal werknemers is bij ieder niveau van het loon. Zo kan een relatie tot stand worden gebracht tussen de hoogte van het loon en de hoeveelheid gevraagde arbeid, welke eveneens wordt weergegeven in figuur 1.

Dit basismodel betreffende de loontheorie maakt duidelijk dat als het loon zo laag is dat er een grotere vraag naar arbeid is dan het aanbod van arbeid, dat er dan als natuurlijk een stijging van de lonen zal resulteren. Als het loon lager is dan punt H' in figuur 1, dan is er meer vraag naar arbeid dan aanbod van arbeid. De werkgevers zullen dan tegen elkaar op gaan bieden om toch het aantal arbeiders te kunnen krijgen dat ze willen hebben, en dus steeds hogere lonen aanbieden. Zo stijgen de lonen langzaam, waardoor de vraag naar arbeid afneemt en het aanbod van arbeid toeneemt, totdat vraag en aanbod weer in evenwicht zijn. En als het loon hoger is dan punt H' in figuur 1 dan zal er meer aanbod van arbeid zijn dan vraag naar arbeid. Oftewel, er zal werkloosheid zijn omdat sommige mensen wel willen werken maar geen werk kunnen vinden. Deze mensen zullen dan hun arbeid tegen een lager loon aanbieden, waardoor de lonen langzaam zullen dalen, en waardoor dan de vraag naar arbeid zal stijgen en het aanbod van arbeid af zal nemen. Een proces dat net zo lang door zal gaan tot vraag en aanbod precies aan elkaar gelijk zijn.

Het doel van dit model is niet zozeer om tot op de cent nauwkeurig te voorspellen welk loon precies tot stand zal komen. Het model is bedoeld om duidelijk te maken welke krachten van invloed zijn op de totstandkoming van het loon, en hoe precies dezen van invloed zijn. Het basismodel met haar aannames maakt de invloed van de hoogte van het loon duidelijk, maar op dit basismodel kan vervolgens voortgeborduurd worden. Door steeds andere factoren te laten variëren, om dan te zien wat voor een invloed dit heeft op het loon zoals dit tot stand komt op de markt. Bijvoorbeeld kan gekeken worden naar wat er gebeurd als de voorkeuren van de mensen veranderen, zoals wanneer ze een voorkeur ontwikkelen voor ontspanning waardoor ze bij ieder niveau van de lonen minder zullen willen werken. Of juist andersom, wanneer de mensen een voorkeur voor werken ontwikkelen waardoor ze bij ieder niveau van de lonen meer zullen willen werken (figuur 2). Ook kan gekeken worden naar de invloed van een toe- of afname in het aantal mensen op de aanbodcurve van arbeid (eveneens figuur 2). En vanuit het perspectief van de vraag naar arbeid kan gekeken worden naar de invloed van technologische vooruitgang (figuur 3), of een verandering van de prijs van het geproduceerde goed (eveneens figuur 3). Zo kan een goed inzicht worden ontwikkeld in hoe precies de lonen in het kapitalistisch systeem tot stand komen, welke factoren hierop van invloed zijn en hoe precies.

 


Figuur 2: Factoren die de aanbodcurve van arbeid verschuiven

Image

 

Lijn a is de aanbodcurve van arbeid, lijn v is de vraagcurve van arbeid. Het snijpunt van deze twee lijnen, punt B, geeft aan wat het evenwichtsloon zal zijn in deze situatie en de hoeveelheid arbeid die dan benut wordt. Lijn a' is de aanbodcurve van arbeid wanneer er een grotere voorkeur voor werken ontstaat waardoor ieder bij een gelijk loon meer wil werken, of wanneer er meer arbeiders zijn. Lijn a' ligt verder naar buiten dan lijn a, wat betekent dat er in deze situatie bij ieder niveau van de lonen een groter aanbod van arbeid is. Het resultaat hiervan is het evenwichtspunt D, dat een lager evenwichtsloon aangeeft en een grotere hoeveelheid benutte arbeid dan punt B. Lijn a'' geeft de invloed weer van het ontstaan van een grotere afkeer voor werken waardoor ieder bij een gelijk loon minder wil werken, of wanneer er minder arbeiders zijn. Bij ieder niveau van de lonen is er een kleiner aanbod van arbeid in vergelijking met de situatie van lijn a. Het resultaat hiervan is het evenwichtspunt C, dat een hoger evenwichtsloon aangeeft en een kleinere hoeveelheid benutte arbeid.

 

Figuur 3: Factoren die de vraagcurve van arbeid verschuiven

Image

 

Lijn a is de aanbodcurve van arbeid, lijn v is de vraagcurve van arbeid. Het snijpunt van deze twee lijnen, punt B, geeft aan wat het evenwichtsloon zal zijn in deze situatie en de hoeveelheid arbeid die dan benut wordt. Lijn v' is de vraagcurve van arbeid wanneer er technologische vooruitgang plaats heeft gevonden waardoor iedere arbeider meer kan produceren, of wanneer de prijs van het product gestegen is. Lijn v' ligt verder naar buiten dan lijn v, wat betekent dat er in deze situatie bij ieder niveau van de lonen een grotere vraag naar arbeid is. Het resultaat hiervan is het evenwichtspunt D, dat een hoger evenwichtsloon aangeeft en een grotere hoeveelheid benutte arbeid. Lijn v'' geeft de invloed weer van technologische achteruitgang, zoals wanneer door een tekort aan olie de machines niet meer gebruikt kunnen worden, of een prijsdaling van het product. Bij ieder niveau van de lonen is er een kleinere vraag naar arbeid in vergelijking met de situatie van lijn v. Het resultaat hiervan is het evenwichtspunt C, dat een lager evenwichtsloon aangeeft en een kleinere hoeveelheid benutte arbeid.

 


De oneerlijkheid van kapitalisme

Een van de dingen die dit model duidelijk maakt is dat de kapitalistische benadering van lonen onrechtvaardig is. Dit blijkt namelijk uit de manier waarop de vraag naar arbeid tot stand komt. In het model wordt aangenomen dat vooraf bekend is hoeveel productie zal resulteren bij een variërend aantal werknemers. In deel 1 van "Arbeid, loon en welzijn" werd een boerderij als voorbeeld genomen, waarvoor gold dat de boer op voorhand wist precies hoeveel hij zal oogsten als hij extra arbeiders in dienst neemt (figuur 4).

 


Figuur 4: de toename van de oogst bij de toename van het aantal arbeiders

Image

 


Wat de boer in dit model doet om te bepalen hoeveel arbeiders hij in dienst zal nemen is kijken naar de extra winst die resulteert uit het vergroten van het aantal arbeiders. Hij kijkt naar de extra opbrengst van productie bij één extra arbeider en hij vergelijkt dit met de extra loonkost bij deze ene extra arbeider. Als de extra loonkost lager is dan de extra opbrengst van productie, dan zal de boer nog een extra arbeider in dienst nemen. Als de extra loonkost hoger is dan de extra opbrengst van productie, dan zal de boer niet een arbeider extra in dienst nemen. Dus de boer zal extra arbeiders in dienst nemen precies tot het moment dat de extra opbrengst van productie die komt met de extra arbeider gelijk is aan de extra loonkost die komt met deze arbeider.

Dit betekent dat de vraag naar arbeid niet is gebaseerd op de productie van de arbeider. De vraag naar arbeid is gebaseerd op extra productie van de extra arbeid, oftewel op de productie van de laatste arbeider die aan het productieproces wordt toegevoegd. Andersom geredeneerd, de boer hecht aan de arbeid niet een waarde gelijk aan de productie van die arbeid. Al de arbeid is voor hem precies evenveel waard als de arbeid van de laatste arbeider die hij aan het productieproces toevoegt, oftewel de minst productieve arbeiders.

De vraagcurve van arbeid wordt dus niet bepaald door de productie die een arbeider doet realiseren. De vraagcurve wordt bepaald door de productie die de laatste arbeider die in dienst wordt genomen doet realiseren. En dit betekent dat het loon dat op de markt tot stand komt wordt bepaald door de productie van de arbeider die het minst productief van allen is. Dus de arbeider wordt niet beoordeeld op basis van de productie die hij doet realiseren, maar zijn loon wordt bepaald door de productie die de minst productieve van zijn collega's doet resulteren. Maar wanneer het loon niet wordt gebaseerd op de bijdrage aan het productieproces maar op iets anders, dan is dit onrechtvaardig.

 

De onjuistheid van kapitalisme

Naast het feit dat de totstandkoming van het loon niet uitgaat van de productie van de arbeider maar van de productie van de minst productieve arbeider, wat oneerlijk is, is het gewoonweg onjuist om productie als maatstaf te nemen bij de bepaling van het loon. In de kapitalistische theorie wordt gesteld dat de vraag naar arbeid bepaald wordt door enerzijds de productie van de minst productieve arbeider in het productieproces, en anderzijds de prijs die een producent ontvangt voor zijn product. De vraag is dan natuurlijk, hoe zullen de lonen worden bepaald voor de mensen die wel werken maar niet produceren,

zoals in geval van een dokter, of een brandweerman? Zij produceren geen tastbaar resultaat, geen eindproduct, maar het moge duidelijk zijn dat ook de dokter en de brandweer een loon verdienen voor hun arbeid. Dit maakt duidelijk dat de kapitalistische theorie onjuist is, omdat het niet om kan gaan met al de vormen van arbeid.

 

De onmenselijkheid van kapitalisme

Een ander punt dat duidelijk wordt door het model dat de loonzetting in een kapitalistische economie beschrijft, is hoe onmenselijk de kapitalistische benadering van het vraagstuk lonen wel niet is. Want in de kapitalistische theorie is het loon dat onder invloed van al deze krachten tot stand komt op de markt, het juiste loon. Het wordt juiste geacht omdat dit loon enigszins de wensen en voorkeuren van de potentiële arbeiders mee in ogenschouw neemt, want de aanbodcurve van arbeid is hier immers uit geresulteerd. En omdat tegelijkertijd aan de wensen en voorkeuren van de potentiële werkgevers wordt gedacht, omdat de vraagcurve van arbeid hieruit is geresulteerd. En omdat het geheel van potentiële arbeiders en potentiële werkgevers in ogenschouw wordt genomen is het loon dat dan op de markt tot stand komt het juiste loon, zo wordt geredeneerd. Maar, wat als het loon dat op deze markt tot stand komt van een niveau is dat de arbeider de schoolopleiding van zijn kinderen er niet mee kan betalen? Of wat als dit loon van een niveau is dat de arbeider de huisvesting van zijn gezin er niet mee kan betalen? Of wat als dit loon van een niveau is dat de arbeider het eten en drinken voor zijn gezin er niet mee kan betalen? Is het loon dat op de markt tot stand komt dan nog altijd het juiste loon? Volgens de kapitalisten wel. Een hoger loon dan het loon dat op de markt tot stand komt zal misschien voor de arbeiders beter zijn, zeggen zij dan, maar de werkgevers zullen dan meer verliezen dan de arbeiders zullen winnen dus voor het geheel zal dit nadelig zijn. En andersom geldt hetzelfde, een lager loon dan het loon dat op de markt tot stand komt zal misschien voor de werkgevers beter zijn, maar de arbeiders zullen dan meer verliezen dan de werkgevers zullen winnen dus voor het geheel zal dit nadelig zijn. Derhalve is de absolute hoogte van het loon niet een onderdeel van het model dat de loonzetting in een kapitalistische economie beschrijft. Want de absolute hoogte van het loon doet er in de kapitalistische economie gewoonweg niet toe. Dus het welzijn van de arbeiders doet er niet toe, en dit is onmenselijk.

 

Kapitalisme is gewoonweg uitbuiting

Voor wat betreft de absolute waarde dat het loon in een kapitalistische economie zal innemen, de tendens is voor het loon om niet boven, noch onder het absolute bestaansminimum uit te komen. Dit wordt de "ijzeren wet van lonen" genoemd. De "ijzeren wet van lonen" stelt dat als de lonen boven het absolute bestaansminimum uitkomen dat de populatie dan zal groeien. Want bij een hoger loon blijven meer mensen leven en leven ze langer, omdat de mensen zich dan gezond eten, medicijnen en doktoren kunnen veroorloven. Maar door deze welvaart zal het aanbod van arbeid, bij iedere niveau van het loon, naar buiten verschuiven. Er komen immers meer arbeiders, en zoals beschreven bij figuur 3 zal hierdoor een nieuwe evenwichtspunt van het loon tot stand komen op een lager niveau dan voorheen. Zolang dit nieuwe evenwichtspunt van het loon zich bevindt boven het absolute bestaansminimum, dan zal de groei van de bevolking en dus het naar buiten verschuiven van de aanbodcurve van arbeid voortgaan. En dus zal dan het evenwichtspunt van het loon zich verder naar omlaag bewegen. Als het loon hierdoor onder het absolute bestaansminimum geraakt, dan zullen de arbeiders niet voldoende verdienen om zichzelf in leven te kunnen houden. Hierdoor zal bij ieder niveau van de lonen het aanbod van arbeid afnemen, want de mensen zullen sterven aan verhongering en ziekte. De aanbodcurve zal naar binnen verschuiven, er zullen steeds minder arbeiders zijn, wat er toe leidt dat het evenwichtspunt van het loon op een hoger niveau komt te liggen. Oftewel, het evenwichtsloon zal uiteindelijk altijd op het bestaansminimum uitkomen. Als het loon boven het bestaansminimum ligt dan treedt er een mechanisme in werking dat de lonen doet dalen, en wanneer het loon onder het bestaansminimum ligt dan treedt er een mechanisme in werking dat de lonen doet stijgen. De "ijzeren wet van lonen" voorspelt dus dat in een kapitalistische economie de arbeiders een loon zullen verdienen dat precies genoeg is om in leven te blijven, niet meer en niet minder.

In de eersten van hoogtijdagen van het kapitalisme, voor de opkomst van het communisme als ideologie zoals in de 19e eeuw in Victoriaans Engeland, kon dit ook werkelijk waargenomen worden. De arbeiders kregen een loon wat hen in leven hield, en niets meer. Wie meer eiste die werd ontslagen en vervangen door een ander, en wie zich tegen deze praktijk uitsprak werd eveneens ontslagen en vervangen door een ander. De lonen voor de meeste van arbeiders bevonden zich op het bestaansminimum, terwijl grote winsten werden gemaakt door de kapitalisten.

Natuurlijk, men zou kunnen zeggen dat de realiteit van de westerse landen de voorbije jaren aantoont dat de "ijzeren wet van lonen" toch niet opgeldt doet. Immers, er kan toch niet gezegd worden dat in de westerse landen de lonen zich op bestaansminimum bevinden. Maar alhoewel dit een feit is, is dit niet een weerlegging van de "ijzeren wet van lonen" in het kapitalistisch systeem. De realiteit van de westerse landen is namelijk dat zij allen na de opkomst van het communisme, en de vestiging van een staat die het communistische alternatief voor kapitalisme uitdroeg, allerhande maatregelen hebben getroffen om de "ijzeren wet van lonen" tegen te gaan. Eerst kwam er middels wetten een verbod op kinderarbeid. Vervolgens werden de werkuren bij wet geregeld. Er werden pensioensvoorzieningen in het leven geroepen, een wettelijk recht op vrije dagen, en allerhande vormen van sociale zekerheid. Vakbonden werden toegestaan in plaats van de kop ingedrukt, en een wettelijk minimumloon werd ingesteld. Deze maatregelen werden noodzakelijk geacht om de levenstandaard van de arbeiders op te kunnen krikken, wat dan weer noodzakelijk werd geacht om te voorkomen dat de mensen vatbaar zouden worden voor de uitnodiging tot het communisme. Maar, dit zijn wel allemaal maatregelen die ingaan tegen de filosofie van de aanhangers van het kapitalisme omdat zij allen een beperking van de vrije marktwerking inhouden. Echter, om de eigen kapitalistische ideologie te beschermen voelden de overheden in de westerse landen zich gedwongen om maatregelen te treffen tegen het kapitalistisch systeem. Deze maatregelen tonen aan dat de kapitalistische ordening zelf niet een verhoging van de levenstandaard deed resulteren voor de arbeiders, omdat in dat geval er geen noodzaak zou zijn geweest voor de overheden in de westerse landen om deze maatregelen te introduceren. De waarneming van een levenstandaard boven het bestaansminimum in de westerse landen, en een analyse van de oorzaken hiervoor, maken dus eigenlijk duidelijk dat de "ijzeren wet van lonen" wel een realiteit is binnen de kapitalistische ordening van het economisch leven!

Bovendien, wat in al die tijd een feit is gebleven, tot op de dag van vandaag, is dat de jaarlijkse loonsverhogingen voor de meeste arbeiders bepaald wordt door het niveau van de inflatie. Het typische spel is dat de werknemersorganisatie vragen voor een verhoging van de lonen die de arbeiders er op vooruit laat gaan. Oftewel een loonsverhoging groter dan de ontwaarding van het geld (inflatie). De werkgevers, echter, reageren op deze eis steevast met hetzelfde argument. Er wordt door hen dan gewezen op de invloed van concurrentie in de markt, ten gevolge waarvan de prijzen voor de producten de neiging hebben om te dalen. En, zeggen zij, als de waarde van de productie daalt dan zouden de lonen eigenlijk moeten dalen om de "winstgevendheid van de ondernemingen" of de "concurrentiepositie van het land" niet in gevaar te laten komen. De uitkomst van dit spel is bijna altijd een verhoging van de lonen met 1%, 2% of hooguit 3%, om het loon te corrigeren voor de ontwaarding van het geld (inflatie). Oftewel, om de levensstandaard van de arbeiders niet te laten dalen. Dit toont aan dat het concept "bestaansminimum" wel degelijk de drijvende kracht is achter de totstandkoming van de lonen. Bij de hoogte van de lonen wordt nog altijd eerst en vooral gekeken naar het bestaansminimum, wat in geld uitgedrukt ieder jaar een beetje hoger komt te liggen omdat het geld minder waard wordt. Waarvoor het loon dan aan het eind van het jaar gecorrigeerd wordt. Het is enkel dat onder invloed van de communistische ideologie het concept "bestaansminimum" een ruimere inhoud heeft gekregen, van "voldoende om niet te sterven" naar "voldoende om niet te klagen".

Overigens is laten de voorbije twee decennia sinds de ondergang van het communisme zien dat langzaam maar zeker de klok weer teruggedraaid wordt. Veel van de maatregelen die geïntroduceerd werden om de levensstandaard van de arbeiders onder kapitalisme te verhogen worden nu weer teruggedraaid in een proces van "economische hervorming", omdat de bedreiging van de communistische ideologie is weggevallen. De effecten hiervan uiten zich in een alsmaar harder wordend bestaan voor zelfs de mensen die een baan hebben. Ondermeer de alsmaar verder oplopend schuld bij zoveel gezinnen en de opkomst van het fenomeen voedselbanken voor de armen in Nederland bewijzen dit.

Het publieke discours wanneer er onderhandelingen zijn over loonsverhogingen voor de arbeiders, of naar aanleiding van de bekendmaking van de loonstijgingen van de top-managers, maakt de oplettende persoon duidelijk dat de kapitalistische theorie enkel ten doel heeft om uitbuiting te rechtvaardigen. In geval van de beloning van arbeiders kan men bemerken dat het model zoals hier beschreven wordt gevolgd. Er wordt gekeken naar de prijzen voor de producten in de markt nu en de verwachtingen hieromtrent in de toekomst, omdat volgens het model de vraag naar arbeid - en daarmee dus het niveau van de lonen - bepaald wordt door de winst die een werkgever verwacht te kunnen maken. De loonsverhoging voor de arbeider is dan uiteindelijk veelal niet meer dan inflatie, en vaker slechts een deel hiervan, omdat anders de winstgevendheid van de kapitalisten en de concurrentiepositie van het land in gevaar komt. Zo wordt gezegd. Met andere woorden, het loon voor de arbeiders wordt conform de kapitalistische theorie bepaald enkel en alleen op basis van de waarde van de productie.

In geval van de beloning van de topmanagers, daarentegen, komt de kwestie van hun productie niet ter sprake. Zij worden niet beoordeeld op basis van het aantal producten dat zij tot stand brengen. Wanneer een topmanager miljoenen verdient, en zijn loon jaar op jaar ziet stijgen met 50% of nog meer, dan wordt dit gerechtvaardigd door te wijzen naar de banen die hij in stand houdt. Oftewel, door te wijzen naar het voordeel dat hij de samenleving brengt. Maar, dit is een overweging die niet past bij de kapitalistische theorie achter de totstandkoming van de lonen. Deze theorie kijkt immers enkel naar de productie die de arbeider tot stand brengt en de waarde die deze heeft. En de vraag is, waarom dit onderscheid tussen kapitalist en arbeider? Als de kapitalistische theorie echt in gelooft zou worden, zou dan niet voor zowel kapitalist als arbeider moeten gelden dat het loon vastgesteld wordt op basis van de waarde van productie? En dat voor beiden dit loon om en nabij het bestaansminimum moet schommelen?

Dat de kapitalistische loontheorie enkel gebruikt wordt om de lonen voor de arbeiders te rechtvaardigen, en vergeten wordt wanneer de lonen van de topmanagers ter sprake komen, toont aan dat deze hele theorie in het echt maar één werkelijk doel kent. En dit is om de kapitalist in staat te stellen om met een staalhard gezicht tegen zijn arbeiders te kunnen zeggen: "Voor jouw, arbeider, is dit kleine beetje loon, genoeg om je in leven te houden. Je krijgt slechts zo weinig niet omdat je uitgebuit wordt, maar omdat de economie nu eenmaal zo werkt. Sorry." Terwijl de kapitalist miljoenen in zijn eigen zakken steekt... Zo is de situatie van vandaag de dag tot stand gekomen, waar in de meeste landen ter wereld de rijkste 10% van de mensen - de bezitters van het kapitaal, de werkgevers-klasse - vaak 60% of meer van al de rijkdom bezitten terwijl de 80% van de mensen die de arbeiders vormen het veelal moeten doen met 20% van de rijkdom.

 

Lonen in de Islamitische Staat

De arbeider moet beloond worden voor de inspanning die hij geleverd heeft, ongeacht de inspanning van zijn collega's of de productiviteit van de groep waartoe hij behoord. De Boodschapper van Allah (saw) heeft gezegd:

Er zijn drie mensen wiens tegenstander ik zal zijn op de Dag van Wederopstanding. Een man die misleidt door een woord aan mij toe te schrijven (dat ik niet gezegd heb); een man die een vrije persoon (als slaaf) verkoopt en de prijs hiervoor verteert; en een man die een arbeider inhuurt, die de volledige arbeid van hem krijgt maar hem niet zijn (rechtmatige) loon geeft.

De juiste maatstaf voor de beoordeling van de waarde van de arbeid is niet de prijs van het goed dat geproduceerd wordt. De prijs van het goed is namelijk een volledig andere kwestie die los staat van de arbeid, omdat de prijs op en neer kan bewegen zonder dat de arbeid hier iets mee van doen heeft. Het is dan ook niet rechtvaardig om de beloning van arbeid afhankelijk te laten zijn van de prijs van het goed. En omdat Islam uitbuiting verbiedt, moet de beloning van de arbeid van Islam gebaseerd worden op het voordeel dat resulteert uit de arbeid voor de werkgever en de samenleving, waarbij rekening wordt gehouden met het element schaarste.

In de Islamitische Staat waar het economisch systeem van Islam ten uitvoer gebracht zal worden, zullen de lonen zullen door experts vastgesteld worden. De Islamitische Staat zal de experts naar de verschillende regio's van het land uitzenden, en zij moeten informatie verzamelen over het voordeel dat een bepaalde arbeid tot stand brengt en de beloning die hiervoor gewoonlijk gegeven wordt. Zij moeten er op toezien dat werkgevers- of arbeidersorganisaties geen collectieve afspraken maken, omdat de afspraken over arbeid en beloning altijd persoonlijk moeten zijn. En zij moeten er op toezien dat de afspraken tussen werkgever en arbeider geen bepalingen bevatten die kijken naar iets anders dan het voordeel dat resulteert uit de arbeid en een element van schaarste. Zo kunnen zij de ervaring opdoen om te kunnen komen tot een oordeel over wat een rechtvaardig loon is voor een arbeider, een element van schaarste in hun beoordeling meenemend.

Deze ervaringsregels zullen worden gespecificeerd naar het type van arbeid, wat betekent dat een arbeider in een positie waarvoor een uitgebreide opleiding vereist is meer zal verdienen dan de arbeider in een positie waarvoor niet een uitgebreide opleiding vereist is, omdat positie waarvoor de uitgebreide opleiding vereist is nu eenmaal een groter voordeel tot stand zal brengen voor de werkgever. En dit betekent dat een dokter met uitgebreide opleiding meer zal verdienen dan een timmerman met uitgebreide opleiding, omdat de dokter een groter voordeel tot stand brengt voor de samenleving. Dit betekent ook, daarentegen, dat wanneer twee mensen identiek hetzelfde werk doen de ene niet veel meer mag verdienen dan de ander enkel omdat hij hoger geschoold is. De ervaringsregels van de experts zijn dan uiteindelijk de richtlijn op basis waarvan een werkgever en een arbeider in een specifieke situatie tot een afspraak kunnen komen. Maar omdat ieder mens anders is, en zij van elkaar verschillen in kracht en intelligentie, zal het toegestaan zijn voor de ene timmerman om iets meer te verdienen dan de andere timmerman vanwege dit feit. Echter dit verschil kan en mag niet te groot zijn, omdat dit een indicatie zou zijn dat afgeweken wordt van beloning op basis van het voordeel dat resulteert uit de arbeid voor werkgever en samenleving. Verder kunnen de lonen kunnen wel stijgen en dalen over tijd, en zij kunnen verschillen tussen regio's, omdat bij de ervaringsregels ook naar het element schaarste wordt gekeken.

In Islam mag een concept als het bestaansminimum geen rol spelen in de bepaling van het loon. Want er mag bij het vraagstuk de beloning van arbeid niet gekeken worden naar de hoeveelheid goederen en diensten die iemand nodig heeft om in leven te blijven. Om dit wel te doen, namelijk, is uitbuiting omdat de beloning losgekoppeld wordt van de geleverde arbeid. Ware het niet dat in het misdadige systeem van kapitalisme zoveel mensen in diepe, diepe armoede leven, dan zou men de vraag niet hoeven beantwoorden "wat als het loon dat volgens de voorschriften van Islam tot stand komt onder het bestaansminimum ligt?". Omdat het feitelijk onvoorstelbaar is dat arbeid een voordeel tot stand brengt voor de werkgever en de samenleving dat op een lager niveau ligt dan wat nodig is voor eten, kleding en onderdak. In behandeling van deze zuiver theoretische mogelijkheid moet herhaald worden dat bij de bepaling van het loon niet gekeken mag worden naar een concept als het bestaansminimum. Dit mag niet in het minst de beslissing leiden, want het loon moet gebaseerd zijn enkel en alleen op het voordeel van de arbeid voor de werkgever en de samenleving. In het onvoorstelbare geval dat het loon dat zo tot stand komt beneden het inkomen ligt dat een persoon nodig heeft voor eten, kleding en onderdak, dan is het de verantwoordelijkheid voor de Islamitische Staat om dit inkomen aan te vullen tot voldoende voor eten, kleding en onderdak. Want de Boodschapper van Allah (saw) heeft gezegd:

De zoon van Adam (as) kent geen groter recht dan een huis waarin hij mag verblijven, een stuk kleed waarmee hij zijn naaktheid mag bedekken, en een stuk brood en wat water.

De werkgever draagt in deze zaak geen verantwoordelijk, noch wetgeeflijk, noch moreel.

Ten slotte, onder dit systeem zal er ook geen jaarlijkse salarisverhoging meer zijn omdat deze praktijk is geresulteerd uit het kapitalistisch economisch systeem, zijnde een monetair systeem gebaseerd op vertrouwen en het belonen van arbeid gebaseerd op het bestaansminimum. In de Islamitische Staat zullen goud en zilver het geld zijn wat een echte waarde heeft welke niet fluctueert zoals dit met het papiergeld gebaseerd op vertrouwen wel het geval is. Het zal ook niet ieder jaar verder ontwaarden omdat er gewoonweg teveel geld gedrukt wordt, zoals dit in het kapitalistische monetair systeem gebaseerd op vertrouwen wel het geval is, en het loon zal dus niet jaarlijks verhoogd hoeven te worden om het aan te passen aan het ieder jaar nieuwe bestaansminimum.