zondag, mei 20th

Last update02:02:43 PM

Home Concepten Fiqh Politiek

Het Goddelijke Oordeel Over Politieke Werk

Er wordt beweerd dat de Islam een religie is zoals andere religies die los staan van politiek. Deze bewering is onjuist en past niet bij het feit van Islam ook al past dit bij het feit van andere religies zoals christendom etc.

De Islam als politieke credo- en systeem of als ideologie verplicht politieke werkzaamheden omdat het er een deel van vormt die hierdoor zijn bestaan en overleving kan realiseren en fixeren.

 

Wat is politiek?

Politiek is het behartigen van de belangen (zaken) van de Oemmah (natie) m.b.t. binnen- en buitenland.

 

Wie praktiseert de politiek?

De politiek wordt gepraktiseerd door de staat en de Oemmah.

De staat is het gene die de behartiging van de belangen op praktische wijze ten uitvoering brengt. De rol die de Oemmah hierbij speelt is het toezicht houden op de staat.

Wat ons interesseert is het Goddelijke oordeel over de rol van de Oemmah m.b.t. politiek. Is het verplicht of niet? En wat is het bewijs ervoor?

 

Het goddelijke oordeel hierover:

De Oemmah is verplicht om met politiek te werken. Het is verplicht voor een groep onder de Oemmah om met politiek te werken. Als er geen groep bestaat die met politiek volgens de Islamitische Akiedah (Credo) werkt is de Oemmah in het geheel zondig.

 

Het bewijs: Uit de Koran:

"Laat er een groep onder u zijn die het goede aanspoort en het kwade verbiedt, dezen zijn het die zullen slagen" (Zie vertaling van de betekennissen van soerat Ali-Imran; 104)

 

Uit de Soennah:

"De grootste jihad is het spreken van één ware woord tegen een onrechtvaardige sultan" (overgeleverd door Ahmed)

"De heer van martelaars is Hamza ibnu Abdul Moettalib en iemand die sterft omdat hij een onrechtvaardige Imaam tot rechtvaardigheid maant en het kwaad verbiedt" (overgeleverd door El-Hakim)

"Iemand behoort niet tot de Moslims als hij zich niet bemoeit met hun zaken" (overgeleverd door El-Hakim)

Het Goddelijke oordeel aangaande de deelname aan het politieke leven in het westen. (deel 2)

In het vorige nummer zijn we bij vraag en antwoord ingegaan op het Goddelijke oordeel over de deelname aan politieke partijen. In dit deel willen we graag enkele onderwerpen aangaande het politieke leven in het westen verder uitdiepen.



De deelname aan de regering

Regeren betekent heerschappij en het uitoefenen van macht. De machthebber is degene die beschikt over de heerschappij en de wetten ten uitvoer brengt. In de Encarta encyclopedie wordt de regering als volgt omschreven: de staatsorganen (personen en instituties) die de leidende en sturende rol vervullen binnen een politieke menselijke entiteit. Volgens het politieke woordenboek is de regering de verzameling van personen die de politieke macht uitoefenen, en bepalen in deze hoedanigheid de politieke richting van een gemeenschap.


Volgens het filosofische woordenboek van Jaqueline Russ (Dictionnaire De Philosophie, J Russ) is regeren:

1.het uitoefenen van politieke macht in een bepaalde staat
2.de totaliteit van instituties of organisaties die doormiddel waarvan, binnen een bepaalde staat, de macht wordt uitgeoefend (zowel wetgevende, als uitvoerende, als gerechtelijke macht)
3.in nauwere zin van voorgaande definitie is de regering dus een uitvoerende autoriteit die leiding heeft over een staat en de wetten ten uitvoer brengt.


Uit het voorgaande kan worden opgemaakt dat regeren dus betekent wetgeven en uitvoeren van de wetten. Met het deelnemen aan de regering in een westers land wordt dus het verkrijgen van beslissingsbevoegdheden bedoeld, zoals bijvoorbeeld het bekleden van een ministerspost.


De overheid is waar ook ter wereld gebaseerd op de grondwet van het land, voert de wetten in de grondwet uit en zorgt voor de instandhouding van de grondwet en de erin voorkomende wetten. Zo zijn ook de overheden in het westen gebaseerd op grondwetten, en voeren de erin voorkomende wetten uit, en zorgen ook voor de instandhouding en uitvoering van deze grondwetten en de eruit voortkomende wetten.

Wie een blik werpt op de westerse grondwetten en wetten ziet dat de grondwetten en de daaruit voortkomende wetten, wetten van Kufr (ongeloof) zijn. Want de grondwet is de wet die de basis vormt aan de hand waarvan de rechten en de plichten van het individu en de groepen worden vastgesteld, zowel in economisch als maatschappelijk als politiek opzicht, en die tevens de autoriteit en haar taken regelt. De wetten zijn de gedetailleerde uitwerking van oordelen die worden vastgesteld om de rechten en plichten te regelen zoals deze worden gegarandeerd in de grondwet, zoals bijvoorbeeld het regelen van het eigendomsrecht, het beleid ten aanzien van inkomens, oordelen over bestraffing en andere benodigde details ten aanzien van de uitvoer van de grondwet en de bescherming van de fundamenten van deze grondwet. In de westerse landen zijn de grondwetten niet gebaseerd op de wetten van het boek zoals door Allah de Verhevene geopenbaard en zoals door zijn profeet (vrede zij met hem) overgeleverd in zijn Soenna, en is niet gebaseerd op de fundamenten van de Islam noch de oordelen van de Islam, en is bovendien volledig in strijd met de Islam. Dit komt doordat de grondwetten zijn gebaseerd op het credo van scheiding van religie en leven ("scheiding van kerk en staat"), en de heerschappij legt in de handen van het volk doordat zij het volk het recht tot wetgeving toestaat, in plaats van dit recht te beperken aan Allah de Verhevene. Daarentegen zijn de grondwet en de wetten in de Islam gebaseerd op het Islamitische credo die het recht tot wetgeving enkel aan Allah de Verhevene toestaat en niet aan de mens, en de religie van Allah heerst over alle aspecten die het bestaan aangaan. En wat wordt beschouwd als gelijkenis tussen oordelen, bijvoorbeeld het eigendomsrecht, het kiezen van de machthebber en het ter rekenschap roepen van de machthebber, is louter een overeenkomst in tegenstelling tot de duidelijke tegenstrijdigheid van de fundamenten waaruit dit oordeel voorkomt.

De moslim die wenst deel te nemen aan de regering in de westerse landen, zoals de bekleding van een ministerspost van een ministerie in een willekeurige regering, is gebonden aan de grondwet van de staat en haar wetgeving, en heeft het niet voor het kiezen bij het uitvoeren van de wetten, net zomin als dat hij de grondwet of wat gebruikelijk is kan verloochenen. Sterker nog, hij zal deze wetten moeten verdedigen en waakzaam deze wetten ten uitvoer moeten brengen. Met andere woorden, de Moslim die aan de macht wil deelnemen, zal wetten van kufr (ongeloof) ten uitvoer moeten brengen, de op kufr (ongeloof) gebaseerde grondwet en wetgeving moeten verdedigen, en er bestaat geen twijfel over het verbod op deze praktijk. Het verbod op deze handeling is in vele geopenbaarde teksten vastgelegd zoals in de volgende verzen:


En wie niet oordeel vellen volgens wat God heeft neergezonden, dat zijn de ongelovigen.(zie vertaling v.d. betekenissen v.d. Koran, soerah Al-Maida 5, Vers 44)


En wie niet oordeel vellen volgens wat God heeft neergezonden, dat zijn de onrechtplegers.(zie vertaling v.d. betekenissen v.d. Koran, soerah Al-Maida 5, Vers 45)


En wie niet oordeel vellen volgens wat God heeft neergezonden, dat zijn de verdorvenen. (zie vertaling v.d. betekenissen v.d. Koran, soerah Al-Maida 5, Vers 47)


Het woord "yahkum" in deze verzen betreft een ieder die de bevoegdheid heeft, of over macht beschikt om te beslissen of uit te voeren, zij het een staatshoofd, een minister president of een van de uitvoerenden van zijn beleid, een minister of iemand die zijn bevoegdheid aan de minister dankt. Iedereen dus die over een bevoegdheid bezit om te beslissen of uit te voeren, valt onder het woord "yahkum" zoals vermeld in bovengenoemde verzen en andere soortgelijke verzen. Wie dus een beslissing neemt en uitvoert, die niet door Allah is toegestaan, regeert dus niet volgens wat Allah heeft voorgeschreven, ongeacht of dit gebeurt met kennis of uit onwetendheid, en ongeacht of dit gebeurt op basis van een willekeurig excuus of willens en wetens op basis van overtuiging handelt tegen de wetten van Allah de Verhevene. Dit geldt voor de eigenlijke regenten en voor degenen die van hen volmachten hebben gekregen. Zij allen heersen dus niet volgens wat Allah heeft neergezonden, en de genoemde verzen betreffen hen, en allen die regeren met de wetten van kufr (ongeloof) en de systemen van kufr. Wie dus uit onwetendheid heerst volgens wetten die niet door Allah de Verhevene zijn neergezonden en het wetgeverlijke oordeel vervolgens ontdekt, en de wetten desondanks niet verandert, is dus zondig. En voor wie willens en wetens heerst volgens wetten die niet door Allah zijn neergezonden valt in een van de twee volgende mogelijkheden die eindigen in het vuur: kafir die uit het geloof is gestapt of een persoon die verdorven is.

En oordeel tussen hen volgens wat God heeft neergezonden en volg hun neigingen niet en wees voor hen op je hoede dat zij je niet weglokken van een deel wat God tot jou heeft neergezonden. (zie vertaling v.d. betekenissen v.d. Koran, soerah Al-Maida 5, Vers 49)

Dit is een dwingend bevel van Allah de Verhevene aan zijn boodschapper, en de Moslims en vooral hun heersers na hem, dat het een absolute plicht is volgens de wetten van Allah te regeren in zowel geboden als verboden. Het verbiedt hun de willekeur te volgen, en waarschuwt hen ervoor ook maar iets te verloochenen van wat Allah de Verhevene heeft neergezonden. Dientengevolge is degene die deelneemt aan de regering in een westers land, en dus het dwingende gebod van Allah de Verhevene, om te regeren met de wetten die Hij heeft neergezonden negeert, dwalend en volgt de eigen willekeur.

De Koran heeft de absolute soevereiniteit van het wetgeverlijke oordeel sterk benadrukt, dermate zelfs dat degene die niet het wetgeverlijke oordeel in de intermenselijke relaties hanteren als ongelovigen bestempeld.


Maar nee, bij jouw Heer, zij geloven pas [echt] als zij jou tot scheidsrechter maken over wat bij hen omstreden is,en als zij dan bij zichzelf geen moeite hebben met wat jij geoordeeld hebt en het volledig aanvaarden.
(zie vertaling v.d. betekenissen v.d. Koran, soerah Al-Nissaa, Vers 65)

 

Dit vers toont aan dat het niet enkel voldoende is om te regeren volgens de wetten van God, maar eist bovendien de volledige overgave, zonder dat er innerlijk enige twijfel resteert.

Dit is de ultieme oproep om de wetgeving van Allah te doen zegevieren, en af te keren van andere wetsbronnen.


Het oordeel komt alleen God toe. Hij beveelt dat jullie alleen Hem dienen. Dat is de juiste godsdienst, maar de meeste mensen weten het niet.
(zie vertaling v.d. betekenissen v.d. Koran, soerah Joesoef, Vers 40)


Heb jij niet gezien naar hen die beweren te geloven in wat naar jou is neergezonden en in wat er al voor jouw tijd is neergezonden, dat zij voor een uitspraak bij de Taghoet in beroep wensen te gaan, hoewel hun bevolen was daarin niet te geloven. De Satan wenst hen ver te laten afdwalen. (zie vertaling v.d. betekenissen v.d. Koran, soerah Al-Nissaa ,Vers 60)

(Thaghoet: alles wat anders dan Allah wordt aanbeden zoals bijvoorbeeld een mens, een beeld, een boek, etc….)


In dit vers veroordeelt Allah de Verhevene degenen die zeggen te geloven in het boek (Koran), de Soenna (overlevering van de profeet vrede zij met hem), en de andere overgeleverde boeken, en desondanks het rechtsoordeel bij (ALTAGOET: zie vers hierboven) zoeken. De systemen van kufr (ongeloof) zoals die ten uitvoer worden gebracht in het westen zijn deze TAGOET (zie vers hierboven) zelve. De moslim behoort de regering van de kufr systemen te verwerpen en dient er niet in te geloven, om aan de eisen van dit vers te voldoen. Hoe vergaat het dan degene die deze eisen in het vers naast zich neerlegt en zelf regent in het systeem van ongeloof wordt?


De moslims in het westen zijn niet de eersten die de mogelijkheid tot deelname aan regeringen in systemen van kufr aangeboden kregen. Zij zijn ook niet de eersten die ertegen stelling moesten nemen. In de Sira (levensbeschrijving van de profeet saw) werd deelname aan de regering door de profeet afgewezen. De profeet beschouwde het aanbod noch interessant noch enig belang hebbend.


Van Ibn Abbas werd overgeleverd dat de hoofden van Quraish zich hadden verzameld, en waren overeengekomen dat zij een gezant naar Mohammed zouden sturen die hem zou mededelen dat hij naar de nobelen van Quraish moet komen. Deze zouden hem willen spreken en hem verschillende aanbiedingen willen doen.


De profeet is tot hen gekomen en zij deelden hem het volgende mee: als je met de nieuwe religie bent gekomen om het geld, dan zullen wij jouw van ons geld geven dat je de rijkste onder ons zult zijn. En als je eer wil hebben dan laten wij u onze heer zijn. En als u het koningschap ambieert, laten wij u onze koning zijn….De profeet zij tot hen:`…ik ben niet tot jullie gekomen met hetgeen ik heb meegebracht om jullie om jullie geld te verzoeken, of om de nobelheid van jullie te verkrijgen, of om het koningschap op te eisen, echter Allah heeft mij als profeet naar jullie gestuurd, en heeft het boek aan mij geopenbaard, en heeft mij bevolen om verkondiger en waarschuwer voor jullie te zijn. En ik heb jullie de boodschap van Allah medegedeeld en heb jullie geadviseerd. Als jullie van mij accepteren waarmee ik ben gekomen, dan is dit goed voor jullie in jullie heden en jullie hiernamaals. En wanneer jullie dit verwerpen dan zal ik geduldig zijn, tot het oordeel van Allah tussen ons wordt geveld.'

In het voorgaande is een duidelijk voorschrift van de profeet. Ondanks de grote voordelen die het koningschap vooral de zwakke moslims in Mekka bood, heeft de profeet besloten deze af te wijzen. De profeet heeft de totale heerschappij en niet de deelname aan een regering van kufr afgewezen. Aangezien voor de Moslims de verplichting geldt het voorbeeld van de profeet te volgen, is het onze plicht in dit geval het standpunt van de profeet over te nemen, in het bijzonder omdat de realiteit van de Moslims in Mekka gelijk is aan de realiteit van de moslims in de westerse landen. In beide gevallen vormen zij een minderheid onder een meerderheid van niet Moslims.

Samengevat kan worden dat deze oordelen (wetsteksten) en andere, waarover hier niet verder uitgewijd zal worden, eenduidig het verbod op het regeren buiten de wetten zoals neergezonden door Allah vastleggen. Evenzo is het verboden deel te nemen aan kufr regeringen in het westen. We hebben de geopenbaarde teksten bestudeerd en geen enkele aanwijzing, of ook maar iets wat daarop lijkt gevonden, die aangeeft dat het is toegestaan om deel te nemen aan kufr regeringen in westerse landen, en wat dus als bewijs zou kunnen dienen voor degenen die het tegendeel beweren. Uiteraard dienen deze wetsteksten binnen de randvoorwaarden die gelden voor de interpretatie van wetsteksten bestudeerd te worden, en dienen deze niet beladen te worden met wat deze teksten niet inhouden.

 

 

Zitting nemen in het parlement

Het parlement of de volksvertegenwoordiging is een instituut binnen het democratische systeem dat het opstellen van wetten als taak heeft, oftewel is de wetgevende macht die door het volk is gekozen.


De volksvertegenwoordiger in het westerse parlement, ongeacht de staatsvormen in de westerse staten, heeft hoofdzakelijk drie taken: het afrekenen van de regering, het uitvaardigen van wetten, het uitspreken van steun aan de regering of het kiezen van de president, en het ondertekenen van overeenkomsten en verdragen.


En doorgaans vindt het vergelijken van het parlement met de "Majlis Al Umma" of "Majlis Al Shura" in de Islamitische staat (Kalifaat staat) plaats, met als uitgangspunt het vertegenwoordigen van de mensen in beide zittingen, om de vertegenwoordiging van de "Majlis Al Nouaab" te rechtvaardigen. Beide vertegenwoordigingen verschillen echter sterk in het takenpakket wat beiden hebben. De 'Majlis Al Umma" in de Islamitische staat heeft een adviserende functie, bespreekt de wetten en de oordelen die de Kalief wil adopteren, rekent de uitvoerende machthebbers af, en de zitting nemende moslims hebben het recht om genomineerden tot het Kalifaatschap te beperken. En het verschil tussen beide vertegenwoordigingen kan benadrukt worden door de taken van beiden af te meten aan het wetgeverlijke oordeel.

 

 

De eerste taak: Controle en afrekenen van de regering

Het afrekenen van de heersers is een taak die uit wetgeverlijk oogpunt niet enkel optioneel is, echter zelfs een verplichting. En deze taak valt onder het aansporen tot het behoorlijke en het afweren van het verwerpelijke (Amr bil m'aroef wa el-nahyu 'an el-munkar).


En Allah de Verhevene heeft voor deze daden een rijkelijke beloning in het verschiet gesteld. Van Tariq ibn Shihab is het volgende overgeleverd:

"Welke Jihad is de beste?" Waarop de profeet, vrede zij met hem, antwoordde: "Een oprecht woord bij een onrechtmatige heerser!" (An-Nissa'I) Deze afrekenende functie moet echter op basis van de Islam en de wetgeving van de islam plaatsvinden. Het is daarom niet toegestaan machthebbers op basis van concepten van ongeloof, zijn wetten, of systemen van het ongeloof, ter verantwoording te roepen, omdat het afrekenen het afdwingen van een gebod of verbod inhoudt. Het Afrekenen vereist van degene die afgerekend wordt dat hij afstand doet van zijn beleid, en een andere weg inslaat dan die hij goeddunkt. En het gebieden en verbieden moeten in overeenstemming zijn met het wetgeverlijke oordeel.


Het afrekenen van de machthebbers door volksvertegenwoordigers in het parlement in het westen vindt enkel plaats op basis van westerse ideeën die gebaseerd zijn op secularisme en kapitalisme, en in lijn zijn met de grondwetten en wetten die beschikbaar zijn in een land. En de moslim volksvertegenwoordigers in de westers parlementen kunnen enkel op de hierboven genoemde basis de machthebbers afrekenen, en dat is een ongeoorloofde manier van afrekenen, aangezien deze manier van afrekenen niet is gebaseerd op de Islam. Wanneer het voorstelbaar zou zijn dat in de zogenaamde parlementen in de Islamitische wereld de controlerende taak uit islamitisch oogpunt kan worden uitgevoerd, aangezien haar grondwetten onderdelen bevatten die formuleren dat de grondwetten voortkomen uit de Sharia, of voortkomen uit de optiek van de meerderheid in het parlement dat bestaat uit moslims in tegenstelling tot het westen, dan is het op basis van deze beredenering onmogelijk dat rekenschap in het westen op basis van de Islam kan geschieden.

 

 

De tweede taak: Wetgeving

De wetgeving behoort in de Islam uitsluitend aan Allah de Verhevene toe, aangezien de soevereiniteit van de wetgeving enkel aan Hem toebehoort. Wanneer de Kalief in de Islamitische staat wetten samenstelt, dan is hij verplicht om deze wetten te baseren op de islamitische jurisprudentie, wanneer het wetgeverlijke aspecten betreft. Wanneer het gaat om wetten waarin de Kalief gemachtigd is naar eigen oordeel of verstand van zaken te handelen, dan moet ook dit in overeenstemming zijn met de Islamitische jurisprudentie.


In het westen behoort de soevereiniteit aan het volk, en het volk vaardigt wetten uit in het parlement waarover vervolgens wordt beslist, waarna de wetten worden aangenomen. Het uitvaardigen van wetten vindt plaats op basis van de grondwet van het land, en binnen het kader van de reeds bestaande wetten. En de moslim volksvertegenwoordiger die deelneemt aan het uitvaardigen van wetten, zal dat, net als zijn collega's volksvertegenwoordigers, doen aannemende dat zij gerechtigd zijn om wetten uit te vaardigen, uitgaande van de grondwetten van ongeloof (kufr) en zijn regels.


En dit is juist hetgeen wat in het volgende vers duidelijk werd verboden, en waarin de pleger van deze daad wordt vergeleken met de volgelingen van de eerdere openbaringen (Joden en Christenen):

Zij namen hun schriftgeleerden en hun monniken tot heren in plaats van God
(zie vertaling v.d. betekenissen v.d. Koran, soerah Joesoef, Al-Tauba,31)


Al-Tirmithi en Al-Baihaqi overleveren van Adiyy Ibn Hatim dat hij vertelde:

Ik kwam tot de profeet toen hij het volgende verse uit Al-Tauba resiteerde:
Zij namen hun schriftgeleerden en hun monniken tot heren in plaats van God (zie vertaling v.d. betekenissen v.d. Koran, soerah Joesoef, Al-Tauba,31)

Vervolgens zei de profeet:
"Zij hebben hen niet aanbeden, wanneer zij iets toegestaan hebben, hebben zij het voor geoorloofd aangenomen, en wanneer zij hun iets verboden hebben, hebben zij het als verboden verklaard!"

Bovendien betekent het uitvaardigen van wetten waarvan de basis noch de Soenna, noch de Quran zijn, dat men andere wetten dan de wetten van Allah de verhevene prefereert, wat uit wetgeverlijk oogpunt verboden is. Allah de verheven zegt:
Jullie die geloven! Gehoorzaamt God en gehoorzaamt de gezant en de gezagsdragers uit jullie midden. Als jullie met elkaar twisten, legt het dan voor aan God en de gezant, als jullie in de laatste dag geloven; dat is beter voor jullie en een mooiere afsluiting. (zie vertaling v.d. betekenissen v.d. Koran, soerah Joesoef,Al-Nisa,59)



Ook zegt Hij:
Maar nee, bij jouw Heer, zij geloven pas [echt] als zij jou tot scheidsrechter maken over wat bij hen omstreden is en als zij dan bij zichzelf geen moeite hebben met wat jij geoordeeld hebt en het volledig aanvaarden. (zie vertaling v.d. betekenissen v.d. Koran, soerah Joesoef, Al-Nisa 65)

 

 

De derde taak:

het vertrouwen uitspreken over de regering, het kiezen van de minister president, en het ratificeren van projecten en verdragen.

De regeringen in westerse landen en in de democratische systemen krijgen pas officieel erkenning, nadat zij zijn samengesteld, wanneer het parlement zijn vertrouwen in de gevormde regering uitspreekt. Wanneer het parlement met meerderheid van stemmen met de nieuwe regering instemt, kan de regering officieel aan de slag gaan met zijn taken. Op vergelijkbare manier geldt dit ook voor de (minister) presidenten in sommige westerse landen, die via de volksvertegenwoordiging worden gekozen. Evenzo dienen sommige projecten en overeenkomsten eerst door het parlement te worden goedgekeurd voordat zij wettelijk worden aangenomen. Het is duidelijk dat de regering en de president handelen op basis van de grondwetten en de regels, zo ook dienen de projecten en overeenkomsten in overeenstemming te zijn met, en worden goedgekeurd aan de hand van deze grondwetten en regels. Wanneer de moslim afgevaardigde die zijn vertrouwen over een regering uitspreekt, een project of een verdrag ratificeert, spreekt zijn vertrouwen uit over een regering die volgens wetten en systemen van ongeloof handelt, en ratificeert projecten en overeenkomsten die tegenstrijdig zijn met de wetten van de Islam. En al deze verrichtingen zijn verboden (haraam) omdat zij een volmacht geeft aan het verrichten van verboden handelingen, en een onderschrijven en acceptatie van het ongeloof (kufr) inhoudt. Allah de verheven zegt:


Is het de rechtspraktijk uit de tijd van onwetendheid die zij nastreven? Wie heeft een betere rechtspraktijk dan God voor mensen die overtuigd zijn?
(zie vertaling v.d. betekenissen v.d. Koran, soerah Joesoef, Al-Maida,50)

En in Sahih Muslim wordt overgeleverd van Um Salamah: Er zullen heerser komen, die rechtvaardige en onrechtvaardige daden zullen verrichten. Wie het onrecht erkent, het verandert, of verafschuwt, is vrij van schuld. Wie het onrecht verafschuwt is gered. Wee degene die het onrecht accepteert en volgt!


En is er een groter acceptatie en onderschrijven van het ongeloof dan het onderschrijven van een regering, het ratificeren van wetten en projecten, die niet met de wetten die door Allah zijn geopenbaard overeenkomen?

 

 

Zitting nemen in de gemeenteraad

De gemeenteraad is de samenstelling van afgevaardigden uit een stad of een dorp, en beschikt over een relatieve onafhankelijkheid bij de behartiging van locale aangelegenheden. Hoewel de meeste taken die de gemeenteraad uitvoert hoofdzakelijk van administratieve aard zijn, vallen een aantal taken in de categorie van regeren, waarvoor uiteraard dezelfde aannamen gelden als voor het deelnemen aan de regering. Bij een nauwkeurige analyse van een gemeenteraad en zijn taken valt te concluderen dat veel van haar taken uit wetgeverlijk oogpunt optioneel zijn. Toch zijn er twee taken die de gemeenteraad uitvoert die verboden zijn:


De gemeenteraad in het westerse systeem beschikt over een aantal volmachten en onafhankelijkheid bij het ten uitvoer brengen van zaken. De gemeenteraad voert een aantal regeringstaken op locaal niveau uit, zoals bijvoorbeeld het opleggen van belastingen.


De gemeenteraad legt ook contracten vast. Zij geeft vergunningen af voor prostitutie en aangelegenhden voor gok en kansspelen, sluit uit wetgeverlijk oogpunt verboden huwelijkscontracten af, en houdt zo veel van de verdorven en zondige verschijningsvormen in de westerse maatschappij in stand. Zo worden ook vele andere zaken door de gemeenteraad geregeld die door de Islam absoluut verboden zijn.

De Moslim die deelneemt aan de gemeenteraad, zowel als voorzitter of als raadslid, heeft niet de geringste mogelijkheid om niet in de verboden te vallen, omdat hij zijn taken niet enkel tot de pure administratieve taken zal kunnen beperken. De aard van de taken van raadslid zal hem ertoe dwingen om in de verboden te vervallen.

 

 

Deelname aan de verkiezingen

De verkiezingen zijn een manier van verlenen van volmachten. Het is een methode om een willekeurige persoon te kiezen die met zekere volmachten kan gaan regeren. De methode van verkiezingen op zich is niet een methode die uit wetgeverlijk jurisprudentieel oogpunt verboden is. De methode is niet iets nieuws, maar is echter sterk verbonden met de daden die met de volmachten verricht moeten gaan worden. Zo is in de overlevering van Ibn Hisham vermeld in de Baia (eed van trouw) van Aqaba door de profeet (vrede zij met hem) gezegd tegen de stammen van Aus en Khazraj (stammen uit Medina):
"Brengt mij uit jullie rijen twaalf vertegenwoordigers, die namens hun gemeenschap spreken."

Zij werden dus verzocht hun vertegenwoordigers te kiezen.


Met de deelname aan de verkiezingen in de westerse landen, als deel van het politieke leven, wordt concreet bedoeld het kiezen van de regenten, parlementsleden, en het kiezen van gemeenteraadsleden bedoeld. En het wetgeverlijke oordeel inzake deelname aan deze verkiezingen hangt nauw samen met wat in deze verkiezingen wordt verlangd. Wanneer het verkiezingen betreft waarin wordt gevraagd om mensen te kiezen die verboden handelingen gaan verrichten, dan is deelname absoluut verboden.


Aangezien het regeren in het westen gebaseerd is op verboden wetten, en het parlement de taak heeft om wet te geven, en daarbij de wetgeverlijke macht niet aan Allah de verheven toe laat komen, dus wetten van ongeloof hanteert, en de gemeenteraden verboden handelingen toestaat, is het deelnemen aan verkiezingen in het westen, gemeenteraadsverkiezingen, parlementsverkiezingen, en presidentsverkiezingen, absoluut verboden. Dit is omdat via deze verkiezingen volmachten worden gegeven aan personen om verboden handelingen te verrichten. Hierbij is het verder totaal irrelevant of de kandidaat een moslim of een niet moslim betreft, aangezien het criterium hiervoor de handelingen en de volmachten zijn, en niet de kandidaat.


Wat de verkiezingen voor partijleden van een partijlijst bovendien nog meer verbiedt is het feit dat het bij verkiezingen binnen partijen gaat om het partijprogramma, dat de wetten van de Islam tegenspreekt. Wanneer een moslim zijn stem aan een partij of partijlid geeft, dan spreekt hij niet zijn steun uit aan de persoon, maar aan de partij met haar partijprogramma, met alles wat het programma inhoud, wetgeverlijk toegestaan of verboden. En in tegenstelling tot waartoe sommige moslims oproepen, het stemmen op een bepaalde partij omdat deze partij bepaalde belangen voor moslims zal behartigen, of omdat deze partij een bepaalde zaak beter steunt dan de andere partij. Het uitbrengen van een stem op een partij betekent niet dat zijn intentie of bedoeling om een bepaald belang te behartigen wordt gerealiseerd, de uitgebrachte stem op de partij betekent echter een onderschrijving van het gehele partijprogramma, of de stemmer dit nu wil of niet.


Het kiezen van een heerser wordt met nog meer zonden belast, omdat het om een keuze van een ongelovige machthebber gaat. En het is in de Islam verboden dat een ongelovige de macht heeft omdat een vereiste voor een machthebber is dat hij moslim is.

Het Goddelijke oordeel aangaande de deelname aan het politieke leven in het westen. (deel 1)

Volgens de Encarta encyclopedie 2000 is een partij: "een blok van politiek gelijkgezinden". Hoofdkenmerk van een politieke partij is haar organisatie, van wie de sociale en politieke ideeën haar leden bundelen om deze ideeën in de samenleving, economie en staat te realiseren door middel van het verkrijgen van regeringsverantwoordelijkheid.

In het "Dizionario Di Politica" staat: "Volgens de bekende definitie van Weber is de politieke partij een verbond met een concreet doel, zij het inhoudelijk van aard, zoals het realiseren van een bepaald materieel of ideëel program, of van persoonlijke aard, zoals het streven naar bepaalde voordelen of macht met bijborende respect voor het leiderschap en haar gevolg."

Een partij is dus een blok bestaande uit personen die gezamenlijk geloven in bepaalde ideeën waarvan gewenst is dat deze in het leven in de praktijk worden gebracht. Met andere woorden een front dat gebaseerd is op een principe waarin de individuen binnen dat front geloven, en wiens wens is deze in de maatschappij ten uitvoer te brengen. Wat een front of een blok tot een partij maakt is dus de verzameling van ideeën die de individuen met elkaar verbindt. Daarom is het lidmaatschap van een politieke partij alleen mogelijk als de ideeën waarop deze partij is gebaseerd worden aangenomen en te handelen om deze ideeën in de praktijk van het leven te verwezenlijken. Daarin is geen plaats voor het individuele standpunt of de persoonlijke status in het behoren tot een bepaalde partij. Net zoals er geen waarde is voor wat er in een individu huist aan impuls om tomeloos recht te plegen tussen mensen of hun leven te ordenen, echter het lidmaatschap van een partij houdt in het verkrijgen van het auspiciën over mensen en het recht plegen tussen mensen aan de hand van de ideeën waarop de partij is gebaseerd. Een lid van een socialistische partij moet zich dan ook niet voorstellen dat hij de zaken van de mensen zal kunnen hoeden aan de hand van kapitalistische ideeën, net zo min als dat het van hem binnen de partij geaccepteerd zal worden om steun te betuigen aan standpunten van andere partijen wiens ideeën, voorstellen en programma verschillen van de eigen partij. Mocht hij dit wel doen dan heeft hij zich buiten de parij geplaatst omdat zijn ideeën niet door de leden van de partij gedeeld worden.


De Islam heeft partijen toegestaan en de moslim toegestaan om aan deze partijen deel te nemen:
En laat er een groep onder u zijn die tot goedheid aanspoort en tot rechtvaardigheid maant en het kwade verbiedt; dezen zijn het die zullen slagen.
(zie vertaling v.d. betekenissen v.d. Koran, soerah Ali Imran; 104)

Deze vers duidt op het toestaan van meerdere partijen, en duidt er tevens op dat partijen op het Islamitische credo dienen te zijn gebaseerd, en de wetgeverlijke oordelen dienen te adopteren. Er zijn dus geen communistische, socialistische, kapitalistische, seculiere, nationalistische partijen toegestaan, dus partijen die niet gebaseerd zijn op het Islamitische credo, net zomin als partijen die het wetgeverlijke oordeel niet adopteren. Het vers heeft vastgesteld welke status de partijen mogen hebben en welke activiteiten binnen deze partijen mogen worden ondernemen. Deze activiteiten zijn het oproepen tot de weldaad van de Islam, het oproepen tot het goede, het behoorlijke gebieden en het verwerpelijke verbieden, en wie deze activiteiten onderneemt moet gebaseerd zijn op de Islam, deze dragen, en zijn (wetgeverlijke) oordelen geadopteerd hebben. En wie een blok vormt op basis van het communisme, het socialisme, het kapitalisme, het secularisme of op basis van een gedachte in tegenspraak met de Islam, is niet op het Islamitische credo gebaseerd, en adopteert niet wat uit de oordelen voorkomt, echter is op basis van kufr (ongeloof) gebaseerd en vormt een blok op basis van deze kufr ideeën en oordelen.

De politieke partijen in het westen zijn blokken die gebaseerd zijn op het socialisme, of het kapitalisme, of het secularisme, of het nationalisme, of op basis van de democratie, en zijn dus niet gebaseerd op de Islam, en adopteren andere oordelen en ideeën dan de Islam.

De moslim die lid wil worden van een van deze partijen en deel wil nemen aan haar activiteiten zal niet kunnen ontkomen aan het adopteren van de ideeën van de partij bij welke hij zich zal voegen, en de zaken van de mensen zal hoeden met deze ideeën als maatstaf. Deze daad is uit wetgeverlijk (Sharie) oogpunt haraam omdat dit de moslim een blok laat vormen aan de hand van kufr ideeën, en hem laat oproepen tot kufr bij het uitdragen van de ideeën van de partij bij welke hij zich gevoegd heeft. Net zoals hij zonden zal begaan bij het hoeden van de belangen van de mensen omdat hij dit niet zal doen aan de hand van de oordelen van de islam, echter aan de hand van de ideeën van de partij van welke hij lid is geworden.

Bovendien is het vanzelfsprekend dat elke partij een programma heeft waartoe deze oproept en die de partij in de maatschappij en het leven en de staat ten uitvoer wil brengen. En wanneer een partij oproept om op haar te stemmen dan doet een partij dat op basis van haar programma die een partij presenteert als zijnde een integraal programma, die de verschillende aspecten van het politieke en economische leven omvat, evenals, wat ook wel het maatschappelijke leven wordt genoemd, omvat. Wanneer een persoon toetreedt tot een partij, zal deze oproepen tot het volledige programma dat geadopteerd is door zijn partij, en de mensen verzoeken op zijn partij te stemmen zodat deze partij zijn geadopteerde programma ten uitvoer kan brengen wanneer het de partij lukt om te winnen met een meerderheid van stemmen, of invloed kan uitoefenen op andere partijen die aan de macht zijn gekomen, wanneer de parij niet aan voldoende stemmen heeft kunnen komen om aan de regering te kunnen deelnemen, of de regering tot verantwoording kan roepen wanneer de partij tot de oppositie behoort. Wanneer hetgeen waartoe een partij oproept niet gebaseerd is op het islamitische credo en de wetgeverlijke oordelen, dan is het niet toegestaan (djaiz) om daartoe op te roepen of lid te worden van deze partij.

Staat elkaar bij in vroomheid en godvrezenheid en staat elkaar niet bij in zonde en overtreding, maar vreest God. God is streng in de afstraffing.

De moslim die lid wil worden van een partij in het westen heeft niet de keuze om programma te accepteren of te verwerpen. Net zo min als dat hij, uit partij politiek oogpunt, het recht heeft om delen van het verkiezingsprogramma goed te keuren en ertoe op te roepen, of delen af te keuren en te negeren, nadat de verantwoordelijke instanties binnen de partij het partijprogramma hebben goedgekeurd. Zo is het voor een moslim die lid is van een politieke partij bijvoorbeeld niet toegestaan om tegen homoseksualiteit te zijn, indien het verkiezingsprogramma oproept om homoseksuelen wettelijk toe te staan trouwakten op te stellen. Sterker nog, hij dient tot dit deel van het verkiezingsprogramma op te roepen net zoals hij tot de andere delen van het programma dient op te roepen. Indien hij omtrent dit vraagstuk om zijn mening wordt gevraagd dient hij de geadopteerde mening van de partij te verkondigen en het voorstel te steunen. En dit geldt voor elk deel van het verkiezingsprogramma of partijprogramma en voor elke clausule zolang deze door de partij door een meerderheid binnen de partij zijn aangenomen. Daarom is het hem niet toegestaan om een verschillende politieke lijn aan te houden dan de lijn van zijn partij, ook al zou de politiek tegen de moslims en hun belangen zijn, zoals bijvoorbeeld een moslim in de Duitse FDP is overkomen toen hij een verschillend standpunt innam ten opzichte van de joodse entiteit. En al wat hij deed was het bekritiseren van de politiek van Sharon ten aanzien van de Palestijnen. Desondanks was er geen plaats meer voor hem binnen de partij, die schaamteloos vrijheid van meningsuiting en democratie predikt.

En is er iets weerzinwekkender voor een moslim dan te verworden tot een prediker van wulpsheid, zedeloosheid en kufr, en te verworden tot een verdediger van hetgeen Allah (SWT) heeft verboden in zijn oordelen en wat de profeet (SAW) heeft afgewezen in zijn soenna.

En is het verbod van zo'n daad zoals het toetreden tot politieke partijen in het westen, en het samenwerken met haar, en het oproepen tot haar programma's een oorzaak van onenigheid tussen de moslims of het waard om over te twisten?

We zijn met stomheid geslagen door sommige moslims die het lef hebben om tegen het wetgeverlijk oordeel in, moslims toestaan activiteiten te ondernemen met deze kufr partijen, sterker nog, deelname als plicht beschouwen! Wij vragen hen dan ook op welk wetgeverlijk oordeel uit de Quran of de soenna van de profeet (SAW) hun toestemming of verplichting om deel te nemen aan politieke partijen in het westen, baseren. En wat doen zij met de honderden wetgeverlijke oordelen die het verbieden de moslim kufr en haraam te adopteren, ertoe op te roepen, en ervoor activiteiten te ondernemen, en de moslim verplichten zich tegen kufr en haraam in al hun vormen en soorten te verzetten?

De moslim die wil deelnemen aan westerse politieke partijen staat voor twee keuzes; of hij neemt deel aan deze partijen en is overtuigd van haar ideeën en adopteert haar meningen. Het minste wat over deze moslim gezegd kan worden is dat hij fasik is, als hij al niet tot kufr is gekomen wat God verhoede. Of hij neemt deel aan deze partijen om bepaalde doelen voor de moslims te bereiken en doet voor of hij in de ideeën van de partij gelooft terwijl hij ze van binnen afkeurt, wat dus bedrog is, wat dus haraam (verboden) is. Hoe wil de moslim de westerling op deze manier de ware aard van de Islam overbrengen terwijl hij hem bedriegt in de hoofdzaken voor de bijzaken?